Een rode stip in de verte
Lena liep met opa over het duinpad van Texel. De wind speelde met haar staartje en het zand ritselde onder haar sandaaltjes. "Kijk eens, Lena!" zei opa, en hij wees met zijn vinger naar de horizon.
Daar, hoog boven de struiken, stond iets groots en rood-roze. Rood-roze, rood-roze, net als een enorme snoepstok!
"Wat is dat?" vroeg Lena met grote ogen. "Dat," zei opa, "is de vuurtoren. Hij heet Eierland. En 's avonds gaat hij aan, zodat de schepen op zee de weg naar huis kunnen vinden."
Lena kneep haar ogen samen. De vuurtoren leek wel te zwaaien naar haar. "Zullen we hem gaan bezoeken?" vroeg opa. Lena knikte zo hard, dat haar krullen alle kanten op vlogen. "Ja! Ja! Ja!"
En zo liepen ze het pad af, tussen het ruisende helmgras door, op weg naar de rood-roze reus.